Wat u nog moet weten

Morele, godsdienstige of filosofische bijstand

Elke morele, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging wordt gerespecteerd. U kunt het bezoek vragen van een bedienaar of vertegenwoordiger van uw godsdienst of van een moreel consulent. U kan dit aanvragen via de hoofdverpleegkundige.

 

Orgaanschenking en autopsie

De wet laat het wegnemen of transplanteren van organen of het uitvoeren van een autopsie na het overlijden toe, behalve indien er op officiële wijze schriftelijk bezwaar werd geuit door de patiënt of de familie in de eerste graad.

 

Afstand van een lichaam aan de wetenschap

Heeft u er ooit bij stilgestaan dat u na uw dood nog een zeer waardevolle dienst kan bewijzen aan uw medemensen? Als de geneeskunde en het wetenschappelijk onderzoek vandaag staan waar ze staan, dan is dit onder meer te danken aan het feit dat sommige mensen er bewust voor kiezen om na hun overlijden hun lichaam ter beschikking te stellen voor het onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Uw lichaam afstaan aan de wetenschap moet u bij leven regelen.

 

Eigenhandig schrijft u een wilsuiting waarin u bevestigt dat uw lichaam gebruikt mag worden voor wetenschappelijk onderzoek. Het originele document wordt naar een universiteit naar keuze gestuurd die u een ontvangstbewijs terugzendt. Dit bewijs dient u bij uw identiteitskaart te bewaren. Na het overlijden worden de gemeente en het universitair ziekenhuis verwittigd. Meer informatie kan u verkrijgen bij:

  • Het gemeentebestuur, dienst bevolking.
  • De universitaire ziekenhuizen


Bloedtransfusie

Tijdens uw behandeling kan u bloed toegediend krijgen. Een bloedtransfusie is momenteel veiliger dan ooit. Daar zijn goede redenen voor:

  • Alleen gezonde mensen kunnen bloeddonor worden.
  • Donoren geven hun bloed vrijwillig en worden daar niet voor betaald.
  • Elk zakje donorbloed wordt gecontroleerd op:
    • twee soorten geelzuchtvirussen (hepatitis B en C);
    • de geslachtsziekte syfilis;
    • het humaan immuundeficiëntievirus (HIV) dat AIDS kan veroorzaken.


Dankzij al deze voorzorgen is de kans op besmetting zeer klein.

 

Het bloed dat u toegediend krijgt, moet bij u ‘passen’. Daarom wordt er bloed afgenomen om uw bloedgroep en rhesusfactor vast te stellen. Vóór een eventuele bloedtransfusie wordt uw bloed getest op de mogelijke aanwezigheid van afweerstoffen. Ondanks alle controles kan er soms een allergische reactie optreden die gepaard kan gaan met koorts, rillingen, jeuk of een rode huid. De reactie kan worden behandeld met geneesmiddelen, maar dit komt zelden voor.

 

In geval van ingrepen waarbij veel bloedverlies optreedt, kan de arts beslissen een techniek te gebruiken waarbij hij uw eigen bloed zoveel mogelijk recupereert. Hierdoor vermindert het zeer kleine risico op een bloedtransfusienevenwerking. In specifieke gevallen kan u uw eigen bloedgever zijn (autologe transfusie). Dit dient wel twee maanden voor de behandeling besproken te worden met de behandelend arts. Heeft u nog vragen of opmerkingen, stel deze dan gerust aan uw behandelend arts.

Delen:
FacebookTwitterLinkedInEmail