Behandelingen

Stoornissen in de tanddoorbraak

In sommige gevallen komen tanden na het wisselen van het melkgebit niet of laattijdig door. Wanneer tanden niet aangelegd zijn en bijgevolg niet tot ontwikkeling kunnen komen, spreekt men van tandagenesie. Is de tand wel aanwezig maar kan hij niet (goed) doorbreken, dan spreekt men van schijnbare hypodontie.

Oorzaken

  • Erfelijke factoren
  • Ontwikkelingsstoornissen (bv. syndroom van Down)
  • Complicaties van medische behandelingen (bv. bestraling)
  • Pathologieën (bv. tumoren)
  • Endocriene stoornissen (bv. schildklieraandoeningen)
  • Faciaal trauma

Diagnose

Bij vermoeden van een stoornis in de tanddoorbraak, is het belangrijk dat deze diagnose vroeg gesteld wordt; rond de leeftijd van zes à zeven jaar. Rond die leeftijd start immers de tandwisseling. Regelmatige controles tijdens de verschillende wisselfases laten de tandarts toe om onregelmatigheden vroegtijdig op te sporen en indien nodig verdere onderzoeken uit te voeren, zoals bv. radiografieën.

Stoornissen of ontbreken van tanden in het melkgebit gebeurt zelden doch kan een indicatie zijn van een onderliggende stoornis van de definitieve tanden. Mede daarom zijn de jaarlijkse controles bij de tandarts van het melkgebit vanaf de leeftijd van twee à drie jaar aangewezen.

Tandagenesie

Niet-aangelegde en dus ontbrekende tanden

We onderscheiden verschillende soorten tandagenesieën:

  • Hypodontie: wanneer één tot zes tanden ontbreken
  • Oligodontie: wanneer meer dan zes tanden ontbreken
  • Anodontie: wanneer alle tanden ontbreken

Definitieve tanden die het vaakst ontbreken zijn:

  • Verstandkiezen
  • Mandibulaire tweede premolaren
  • Maxillaire laterale snijtanden
  • Maxillaire tweede premolaren

Behandeling

In eerste instantie kunnen extra preventieve zorgen genomen worden teneinde de melkkies zo lang mogelijk te behouden. Hierdoor gaat de ruimte in de tandboog niet verloren. Tevens wordt zo de verdere gebitsontwikkeling minder verstoord en wordt de kans op standafwijkingen van de naburige tanden kleiner. Bovendien wordt zo getracht het alveolair bot rond de tand zo goed mogelijk te behouden, wat op volwassen leeftijd het plaatsen van een implantaat beter mogelijk kan maken.

Naast de extra preventieve maatregelen kan het ook zijn dat het kind geen functionele of esthetische hinder ondervindt. Vervanging is hier dan mogelijks niet aangewezen; tenzij de locatie van de tandboog en het aantal ontbrekende tanden toch therapie vraagt.

Het is echter belangrijk dat deze behandelingen de groei niet belemmeren. Daarom vinden ze steeds plaats in samenspraak met de chirurgen van de dienst Mond-, Kaak- en Aangezichtschirurgie. Bij voorkeur worden ze pas gestart na doorbraak van het volledige volwassen gebit.

Schijnbare hypodontie

Aangelegde tanden die niet kunnen doorbreken

We onderscheiden twee types hypodontie, nl.

  • Impactie
  • Retentie

Impactie

Wanneer een tand aanwezig is in de kaak, maar het doorbraakpatroon gehinderd wordt door een fysieke barrière, spreken we van impactie. Mogelijke oorzaken zijn plaatsgebrek in de tandboog, overtollige tand, odontogene tumor, cyste, enz. In de praktijk zien we vooral geïmpacteerde wijsheidstanden, gevold door geïmpacteerde hoektanden in de bovenkaak.

Retentie

Wanneer het doorbraakproces van een tand zonder duidelijk aantoonbare fysieke barrière in de kaak zelf gestopt wordt, is er sprake van primaire retentie. Bij secundaire retentie stopt de doorbraak nadat de tand al deels in de mond is verschenen; vaak is dat te wijten aan ankylose (d.i. de versmelting van het wortelcement met het alveolair bot, met verdwijning van het parodontaal ligament).

Behandeling

In beide gevallen is een vroege diagnose belangrijk om een voor een efficiënte behandeling. Ook hier wijzen we op het belang van regelmatige gebitscontroles bij de tandarts.

Voor de behandeling van impacties wordt veelal doorverwezen naar een Mond-, Kaak- en Aangezichtschirurg. In overleg met de tandarts of orthodontist wordt dan beslist om via een chirurgische ingreep dergelijke tanden of cystes te verwijderen teneinde opnieuw ruimte in de tandenboog te voorzien en de naburige tanden niet te schaden.